Carlos, een vriend, een moat die zo veel mooie mens was, heeft zich over velen verspreid en is in ons hart thuisgekomen, zoals een trekvogel in zijn rustgebied.
De merels op mijn dagelijkse wandeling zingen zoals elke lentedag hun lied geruststellend aanwezig. Maar nu hoor ik ze zoals klaagvrouwen in het Oosten, daar waar de trekvogel zal rusten onderweg naar ons hart.
Ons hart is hier waar de merels nog altijd zingen omdat Carlos natuur bouwde.
Nu hoor ik weer de zachte kracht in het lied dat de zon wekt en de maan opzingt.
Met dank aan de merel die zingend Carlos’ leven viert.
En dat moeten wij ook doen, meer dan ooit,
voor elkaar geruststellend aanwezig.
